Overzicht

Advertenties

Sunflowers and tulips

Oog voor onzichtbare beperkingen – De weg naar betere nazorg

De noodzaak om meer bekendheid te geven aan de onzichtbare gevolgen die ontstaan als gevolg van niet-aangeboren hersenletsel – en dan misschien meer speciaal – na een beroerte (een herseninfarct of een hersenbloeding) blijkt nog altijd groot. Het artikel Veranderde persoonlijkheid – De weg naar acceptatie is lang beschrijft dat negentig procent van de mensen met niet-aangeboren hersenletsel niet of niet voldoende revalidatie krijgt. Maar ook dat de meeste aandacht van de medische zorg uitgaat naar fysiek herstel. De motoriek van de getroffene krijgt de allereerste aandacht. Wanneer is voorzien in voldoende mogelijkheden om motorisch – eventueel met hulpmiddelen – weer vooruit te kunnen, mag de patiënt naar huis.

Bron: Oog voor onzichtbare beperkingen – De weg naar betere nazorg

Uit het Dagboek van een Onbestorven Weduwe – 164

www.nahverborgenkopzorgenweb.wordpress.com

Omdat mijn heup heeft besloten er zo af en toe de brui aan te geven en mij is verzekerd dat op tijd rust en ontspanning helend werken besluit ik het wandelen te laten en mij per fiets te verplaatsen naar mijn rivier. Daar zit ik in de zon te lezen. Naast mij een even lezende vrouw. Ik heb haar gevraagd of zij het niet erg zou vinden als ik naast haar ging zitten.

– Het andere bankje zit zo laag, zeg ik nog ter verontschuldiging.
Zij vindt het niet vervelend en gaat door met haar hoofdstuk, terwijl ik geruisloos probeer een boek uit mijn tas te halen.
Fijn, die stilte. Fijn dat naast elkaar op een bankje zitten niet meteen betekent dat er geconverseerd moet worden. Binnenin mij juicht het.

Hoe is het mogelijk dat Remco Camperts Compact openvalt op het intrigerende stuk ‘Eruit’, waarin hij een genereus aanbod met iemand mee te rijden niet durft af te slaan. Hij wil niet onbeleefd zijn. Ondertussen heeft hij zichzelf gemanoeuvreerd in een hopeloze conversatie. Liever zat hij in de trein. Begrijpelijk. Dan had hij kunnen lezen; of aantekeningen maken. Hier, op deze bank in de zon aan mijn rivier, is spreken overbodig; lezen een genot. Ik verdwijn in Campert.

Zijn ‘Eruit’ verhaalt over het gebaar van hoffelijkheid wanneer iemand in de tram voor een ander opstaat met de woorden ‘ik moet er toch zo uit’. Dat je, als je zoiets geboden wordt, geen ‘nee’ meer kan zeggen. Dat je schuldgevoelens die zouden kunnen opkomen met het accepteren van de vrijgekomen zitplaats meteen zijn weggenomen. Je kunt niet meer weigeren zonder daarmee schuldgevoelens te krijgen.

Schuldgevoelens; er zijn er zat die daarmee spelen. Het is gemakkelijker ze te krijgen dan ze kwijt te raken. Wanneer je ook maar enigszins denkt een ander tekort te doen, gaat het mis. Campert krijgt het wanneer hij zou weigeren een zitplaats aan te nemen die hem wordt geboden met de woorden ‘ik moet er toch zo uit’; helemaal als hij merkt dat degene die hem zo’n genereus offer deed, nog ‘haltes en haltes en haltes lang’ in de tram blijft staan, gevrijwaard van schuldgevoel; want dat is weggegeven.

Hoe komt het dat mensen liefst direct het spel aangaan met het schuldgevoel van een ander? Ook als dat niet nodig is. Zij delen liever uit dan te ontvangen; vrij van zonden, leggen zij die alvast in latente vorm neer op de schoot van wie ontvankelijk is. Daar kan het tot volle wasdom komen. Je kunt de figuren die er graag op trakteren, uittekenen. Keurig, deugdzaam en burgerlijk; onkreukbaar, ook op die momenten dat het hen zou sieren eens in eigen hart te kijken. Precies mijzelf, als ik in de spiegel kijk.

Een dergelijk deugdzaam stel – vieve middelbaren – zit in Amsterdam in tramlijn 2 als ik kom binnen struikelen. Na weken fysiotherapie zit het in mijn heup even pijnlijk scheef als toen ik eraan begon. Na een bezoek aan het Stedelijk – rust en ontspanning tegen beter weten in even vermeden – is de pijn onhoudbaar. Desondanks waag ik een poging naar het station te wandelen. Zo heb ik dat tot nu toe steeds gedaan. Die poging strandde op het Koningsplein.

Natuurlijk zit de tram stampvol. Dus sta ik bij het hokje van de conducteur geleund tegen een stang binnen de geel afgeplakte zone bedoeld voor kinderwagens. Klem tussen andere trampassagiers. En voor de stoeltjes voor mindervaliden; waar meneer en mevrouw zitten. De hobbels en bobbels tijdens het rijden maken mij pijnlijk duidelijk, dat ik in deze positie misschien het Centraal nog haal. Hoe bereikbaar de trein daarna nog is, daaraan begin ik ernstig te twijfelen.

Wanneer een moeder haar kinderwagen op de daarvoor bedoelde plek wil parkeren, vraagt de conducteur mij vriendelijk of ik opzij wil gaan. Ik verlies mijn steun en moet mij op eigenkracht zien staande te houden. De heup protesteert. Nu is het op. Omdat ik de circuskunst van het staan op een been, zonder houvast in een wiebelende tram niet machtig ben, vraag ik of de conducteur kans ziet een zitplaats voor me te regelen. Hij wijst naar de invalidenstoelen waarop nu het echtpaar een stoïcijnse blik veinst. Zou ik ook doen, in hun positie. Wat dat betreft ben ik vast net zo erg.

De vrouw staat na enig aandringen mopperend op.
– Ja, je ziet het niet altijd, zeg ik verontschuldigend. Want ja, ik moet ook van mijn schuldgevoel af, nietwaar?

Bij de volgende halte stapt een rollator de tram in, gevolgd door een oude heer die nog slechter ter been is. Hier voel ik een dilemma opkomen. Wie staat er op? De vieve middelbare naast mij? Of zal ik maar weer plaats maken. Na een aarzeling geef ik toe dat mijn heup echt niet meer wil. Dus zal de onkreukbare zijn plaats moeten afstaan. Dat zijn de regels in het sociaal verkeer. De conducteur geeft hem een aanwijzing en de oude zijgt traag naast mij neer.

Niet dat ik zo gemakkelijk van het vieve heerschap afkom. Hij brengt het grote schuldkanon in stelling. Ik zit klaar om de kogels te ontvangen. Terwijl hij zich min of meer uit de voeten maakt voegt hij mij nog toe:
– Wij mankeren ook wel eens wat.
Voordat ik besluit een dergelijke houding zielig te vinden – want heeft hij het tegen mij; of ook tegen de oude – haal ik mijn schouders er over op. Om zijn aandeel te verdedigen heeft hij goed gesproken.

Hier op de bank in de zon overweeg ik heel even of ik de lezende vrouw in mijn blijdschap over wat ik heb gelezen, zal laten delen. Maar nee, er zit al genoeg schuld op deze bank. In mij omdat ik haar vroeg aan te mogen schuiven; in haar omdat zij geen ‘nee’ durfde zeggen om niet voor onbeleefd door te hoeven gaan. Wij beiden guilty as charged.
© jvs

Bron: Uit het Dagboek van een Onbestorven Weduwe – 164

Lees verder

Uit het Dagboek van een Onbestorven Weduwe – 161

Bron: Uit het Dagboek van een Onbestorven Weduwe – 161

Beperkt ziekte-inzicht en zelfoverschatting – Valkuil voor mensen met NAH

Bron: Beperkt ziekte-inzicht en zelfoverschatting – Valkuil voor mensen met NAH

Uit het Dagboek van een Onbestorven Weduwe – 160

Bron: Uit het Dagboek van een Onbestorven Weduwe – 160

Beroep op zelfredzaamheid niet in orde – pleidooi voor menswaardigheid

Bron: Beroep op zelfredzaamheid niet in orde – pleidooi voor menswaardigheid

Uit het Dagboek van een Onbestorven Weduwe – 159

Bron: Uit het Dagboek van een Onbestorven Weduwe – 159